Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er was niet veel plaats aan het nederig huisje.

Op het verdiep twee kleine slaapvertrekken voor de familie Hovill, ter zijde een kelderkamertje met laag plafond en smalle vensterkens, waar juffrouw Serruys huisde, en dan de voorkamer met roode steentjes, wit houten meubeltjes en biezenstoelen. Tegen de hagelwitte wanden geene wereldsche jppten, maar eenige staties van den kruisweg,

— op Él sBTÖuw ijsen ivoren kruisbeeld en geen spiegel: die bijfcz$ kweller' der vrouwelijke ijdelheid — vade retro, ^rtlrTas! -j■ is uit alle begijntjeswoningen gebannen

— alles rein en zindelijk, zondere eenige pracht en weelde

— doch waar het^bij winteravond, als de hooge kachel bromt en de theeketel zijn liedje zingt, zoo oprecht gemoedelijk en vertrouwelijk is, dat ik nooit vriendelijker huiskamer heb gekend.

Bij het venster heeft juffrouw Serruys hare vaste plaats op eenen houten tree.

Van als het klept voor de eerste mis, wordt de lederen stoel met koperen nageltjes fijngezet, de tree beklommen, en het kantkussen op de knieën genomen. Snel en vlug rollen de bouten overeen, en uit het onophoudend verhuizen der spelden, worden in het nederig Begijnenhuisje die wonderen van smaak en geduld geboren, welke, de geheele wereld door, onder den naam van Mechelsche kant vermaard, in rijkdom en pracht opwegen tegen de schoonste kazemirs, welke ooit Indië voortgebracht heeft.

Onderbreekt men bijwijlen het werk, dan is het om een kort gebed in het getijdenboek te lezen of een „puntje" in Thomas a Kempis te steken, die steeds ter zijde ligt.

Op de vensterplint zit de grijze angorakat, die zich soms eens uitrekt en geeuwt, soms eenen hoogen rug zet en spint, doch meestal in eenen gerusten slaap gedompeld

Sluiten