Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar handwerk naar beneden, en terzelfdertijd wordt er „In den soeten naem Jezus" met den klopper aangestooten door eene bejaarde dame en haren jongen neef.

Ik hoor Bertha haren stoel achteruit schuiven, de kamerdeur openen; ik onderscheid hare zilveren stem, die vrooHjk uitroept: „het is de klop van juffrouw Mina", ik herken haren lichten tred, die huppelend nadert. Mijn hart is maar een boontje groot, en krimpt tot een erwtje, wanneer het meisje tusschen de uitgemergelde stijlen, op den vervallen dorpel van het. poortje verschijnt, schitterend van jeugdige schoonheid en kuischen blos: een lentebloemtje op eenen bouwvalligen muur, eene Madona van Raphaël in eene vermolmde lijst!

Bertha is de beleefdheid zelve. Zij neemt Tante bij de hand, brengt haar met duizenden zorgen over het pleintje, leidt haar door de donkere overgang, haalt hare breikous uit den beugel, vraagt naar hare gezondheid, verneemt naar onz' Mie, schijnt veel belang te stellen in den tuinman, zeer ingenomen te zijn met Man, met de kippen, met de eenden, met al wat op het Pannenhuis woont, leeft, ademt, behalve met den armen Ernest.

Zijne beleefde groeten bijven onbemerkt, zijne diepe buigingen, nochtans bij juffrouw Monnier geleerd, onbeantwoord.

Het is alsof Bertha niet eens bewust is, dat Tante Mina eenen neef bezit, en er op aarde een wezen bestaat, dat haar liefheeft, aanbidt, en voor haar duizend levens zoude geven, — doch /t//sweet wel beter.

Ten laatste komt het uit, dat wij hand aan hand bij den disch zitten, dat ik haar bobijntjes opraap, die alle oogenblikken vallen, haar werkdoosje mag openen, waarvan het slot gedurig verdraaid geraakt, en hare streen mag ophou-

Sluiten