Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den, die altijd verwart: onschatbare gunsten, door het zoetste glimlachje en het zachtste ,,'k dank u" beloond.

Een jaar is alweer verloopen: de zomer verre gevorderd.

Reeds is de hooge kruin der populieren ontbloot en laat de linde hare gele bladeren vallen.

De meeste bloemen hangen verwelkt neder: alleen de koude dahlia staat nog recht en statig nevens haren witten stok, schitterend van schreeuwende kleuren en smakelooze pracht, een oude coquette gelijk, zonder geur noch bevalligheid, stijf van valschen waan en malle pretentie.

Den geheelen namiddag hebben wij in den tuin rondgeloopen, spelend en lachend, over de verdorde bladeren heen, terwijl mistress Hovill hare koffie gebruikt en Tante hare kousen breit.

Bertha zet zich op eene bank neder, en vlucht niet als gewoonlijk, wanneer ik mij verstout aan hare zijde plaats te nemen. Voor onze voeten ligt een verwilderd en verwoest bloemenperkje; geen violetje dat nog bloeit, geen roosje dat nog bladeren heeft, niet een knopje om haar aan te bieden. Ik voèT nochtans, dat het betamelijk ware haar iets tot aandenken te schenken, haar ten minste eenen afscheidsgroet te geven; want het is mijn laatste dag: morgen vertrek ik naar de kostschool.

Maar hoe begonnen? Ik vind geenen volzin, geen woord. Welk verschil tegen de helden uit onze romans, die bij dergelijke gelegenheid de welsprekendste verklaring gereed hebben. Hoe mat en loom moet ik er uit zien!

„Zoudt gij niet eene zwaluw willen zijn?" vraag ik eindelijk, zonder goed te weten wat ik zeg.

Dit denkbeeld wordt mij ingegeven door de honderden

Sluiten