Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vogeltjes, die rondom het Pannenhuis heen vliegen, en op de uitstekende richels vergaderden vóór de groote reis.

„Zwaluw zijn? Hoe komt gij op die gedachte ?" antwoordt het meisje, mij verwonderd met hare groote zwarte oogen aankijkend, „vindt gij het aangenaam zijn geluk verreweg te moeten zoeken, zijnen geboortegrond te verlaten, zijn nestje te vlieden?"

Zoo diep heb ik het niet ingezien; maar 't schijnt mij toch een vervoerend genot, de wereld over te vliegen, landen en zeeën te zien, over bergen en dalen te zweven en overal te wezen, waar het zomer en zonneschijn is.

„Dikwijls heb ik er over nagedacht", herneemt Bertha met nadruk, en 't schijnt mij, dat een wasem van ernst en droefheid zich over het lieve gelaat verspreidt, „eens zal

de tijd komen, dat Vader ons tot zich zal roepen en

dan zullen wij de zwaluwen volgen naar het land, waar 't immer zomer is."

„Maar de zwaluwen keeren weder", zeg ik, ontsteld bij de mogelijkheid mijne lieve Bertha te verlaten.

„En wij", hervat het meisje blozend, „zullen wij ooit wederkeeren ?"

Zij wil opstaan, hare plaats verlaten; doch ik vat hare hand.

„O ja, gij zult wederkomen, niet waar? wij zullen elkander wederzien; gij zult den makker uwer kindsheid, den vriend uwer jeugd niet vergeten, roep ik in vervoering uit: morgen scheiden wij voor de eerste maal: zal ik niets mogen medenemen, dat mij aan de lieve Bertha herinnert? Zal ik thans het boekje niet bekomen, waar wij samen in lazen en dat onze innigste gevoelens uitdrukte?"

Met gloeiende wangen en glinsterende oogen kijkt 'het arme kind mij aan. Ook haar hart klopt en uit haren stree-

Sluiten