Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uur als twee stadhuisklerken op eenen geheelen dag, en dan komen afloopen om de laatste vijf minuten van den speeltijd met mij door te brengen, hetgeen eene nieuwe vlaag van werkwoorden en regels doet losbarsten op zijn onschuldig hoofd.

„Dat wij eenen derden vriend in ons kringetje opnemen", zegt hij mij, „dan zijn wij in het reglement; niemand kan er nog iets op afwijzen, en wij spreken vrank en vrij."

„Maar wie? Kunnen wij ons op iemand betrouwen?" vraag ik min toegevend.

„Ik ken eenen besten jongen", verzekert Hubert, „die mij zeer verkleefd is. Dikwijls maak ik zijn werk, laat hem in de wedstrijden afkijken, en heb hem laatst nog een goede plaats in de compositie bezorgd."

Die redenen bewezen wel, dat Hubert zelf een „beste jongen" was, maar niet, dat de andere aan zijne vriendschap beantwoordde.

In alle geval, er bestaat geen ander middel.

De „beste jongen", door Hubert aanbevolen, wordt onze medewandelaar, weldra onze makker, later verheven tot waardigheid van vriend, en eindelijk ingewijd in al onze kindergeheimen. Hubert blijft van de pensums vrij, en wij wandelen en redeneeren zonder achterdocht of vrees.

Die „goede beste jongen!" Hij toont zich bijzonder ingenomen met onze verhalen, maar zonder zelf ooit een woord in het midden te brengen.

„Heeft hij dan nooit iets te zeggen ?" vraag ik aan Hubert.

„Och", bemerkt deze, „gij hoeft niet ongerust te zijn. Hij is nog een oprecht, onnoozel kind, dat niets weet van de wereld. Van jongs af zit hij hier opgesloten, en ik zou durven wedden, dat hij nog niet lang weet, dat er iets bestaat buiten deze vier muren", en wij, fier over onze

Sluiten