Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heimste mijner ziel. Ik begin te begrijpen, en onwillekeurig staat mijn vrij gemoed op tegen zooveel dubbelzinnigheid, vernedering en plagerij.

„Gelief mij vóór te gaan", gebiedt hij, opstaande.

Hij heeft niet noodig te zeggen waarheen. Ik stap de steenen wenteltrap op, en bij eiken tred verdubbelt het jagen van mijn hart. Ik hoor zijnen zwaren stap achter mij, en weet, dat geene beweging zijn oog ontgaat.

Boven stapt hij recht op mijn kamertje toe, trekt mijnen lessenaar open, en zonder aarzelen of zoeken haalt hij, uit den diepsten schuilhoek, het boekje, laatste geschenk der lieve Bertha, dat ik, verborgen achter eenen Jardin des racines grecques en twee woordenboeken van Desroches, en beschermd door eenen hoop marmerbollen en een paar schaatsen, in volkomene veiligheid waande!

Hij opent de eerste bladzijde. Zonder dat er een woord gesproken wordt, weet ik, dat zijn blik genageld staat op de woorden „Bertha aan Ernest", en ik voel mij wegsterven van angst en schrik.

„Het is wel, Mijnheer Staas", herneemt hij op drogen toon, „jongelingen als u zijn wij niet in de gewoonte hier te houden. Ons gesticht duldt geene onzedelijkheid. Wie zich niet goed weet te gedragen is niet waardig er te verblijven."

De tranen bersten mij uit de oogen. Ik zie mij weggezonden uit de school, laag, schandelijk weggejaagd, onteerd in de oogen mijner medeleerlingen, mijner Tante en bovenal in de oogen van Bertha, aan welke ik te midden mijner beproevingen met onweerstaanbare aandoening denk.

„Indien wij u niet doorzenden", besluit de Bestuurder, misschien door mijne oprechte droefheid getroffen, „is het enkel uit eerbied voor uwe achtbare familie Ga, de

Sluiten