Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men hoort gezang en gejuich in de anders zoo doodstille, zoo treurige studiezaal.

De leeraars wandelen op de speelplaats, en schijnen noch te zien, noch te rieken, dat er in alle hoeken sigaren opgestoken worden.

Op de slaapkamers rollen de koffers onder de bedden uit, zoo vlug als de koperen wieltjes maar draaien willen, en de reisvaliezen komen bijna onkennelijk van den zolder, waar zij in stof en regen het jaar doorgebracht hebben. Hemden en boeken, kleederen en schoenen, kousen en borstels, schoolgerief en herinneringen der makkers worden er „hobbel en sobbel" ingeworpen. Het is onmogelijk de valiezen dicht te krijgen, gelukkig, dat men welwillende vrienden bezit, die met twee-drie op het scheel komen stampen en duwen, tot eindelijk kleederen en boeken zoodanig ineengewerkt zijn dat de sleutels in de verroeste sloten geraken.

De huisknecht laadt het utasgoed op het stootwagentje, en wij wandelen, met een paletootje op den arm en eene sigaar in den mond, nevens hem op.

Weder rolt de eerbiedwaardige, maar nog altijd rammelende diligentie.

Ik zit tusschen twee dikke paardenkoopers geprangd, maar redeneer, en schreeuw, en rook tegen hen op. Me dunkt, dat de streek me niet vreemd wordt; ja, ik herken die boomen; ik ontwaar tusschen de bladeren het puntje

van eene vergulde lans ik zie het hoofd van een paard ...

de geheele Kozak verschijnt... daar is het roode dak... daar geheel het Pannenhuis! Tante staat voor het hek. Man komt mij tot op de tree der diligentie toegesprongen, en loopt naar huis om mij aan te kondigen: ja, hij kent mij nog! Mie houdt de deur wagenwijd open: ik treed statig binnen, en zij heet mij: Mijnheer Ernest.

Sluiten