Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARME WILHELM

lederen morgen trekken te troepen der Brusselsche bezetting mijne woonst voorbij. Ik ben niet soldaatschgezind. Advocaten zijn het doorgaans niet: cedant arma togae, en nochtans, zoodra ik de trommel hoor, laat ik mijn ontbijt, loop naar het venster, en sta met den neus tegen het raam!

„Het is toch waar", zeg ik met zekeren nationalen hoogmoed, „dat wij een puik legertje hebben! Hoe fijn gestoffeerd, warm gekleed, zuiver gepoetst, goed gevoed zien er onze krijgslieden uit! Hoe manhaftig marcheeren de geknevelde officieren tusschen de rangen! hoe vroolijken opruimd klinken de dansende akkoorden van het Belgisch lied!" s

Ik gevoel het, ik zou liever naar het exercitieplein gaan, waar de bajonetten schitteren, de vaantjes wapperen, de commando's klinken, dan naar het paleis van justitie, waar een veelsprekende confrater drie arme rechters in slaap wiegt.

„Waarom hebt gij uwe natuurlijke neiging niet gevolgd ?" verwijt mij eene inwendige stem, „waarom hebt gij roekeloos uwe roeping miskend? Wellicht waart gij op dit oogenblik een verguld en gestemd premier lieutenant, in plaats van een zwartgerokt en klagend advocaatje."

Het is waar ook, die stem heeft gelijk, waarom ben ik geen militair geworden?

Sluiten