Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waren wij gelukkig aan de zijde van Tante eene veilige schuilplaats te vinden.

Op zulke avonden, als wij goed stil zaten en geen verjaardag aanstaande was, werd de breikous toegevouwen, de priemen in het werkdoosje gestopt, de nijpbril afgelegd, en het een of ander historietje begonnen.

Eerst was het „Blauwe Baard" en de „bebloede sleutels", „Roodkappeken" en de „Wolf", maar vooral „Duimken mijn zoon" met den „Reus"; en als Tante, den Reus nabootsend, met holle stem riep: ,,'k riek menschenvleesch", verstierf mij het bloed in de aderen, en meer dood dan levend, staarde ik naar den ingang, en wachtte hijgend het oogenblik af, dat de deur ging openvliegen, de Reus binnentreden, en met bulderende stem herhalen: ,,'k riek menschenvleesch", en ik zat de eerste!

Later, als wij grooter werden, vervingen herinneringen uit Tantes leven, gebeurtenissen, welke zij bijgewoond had, de vervaarlijke kindersprookjes.

Tante bezat een wonderbaar geheugen voor lang verIoopene tijden. Zij vergat wat eenige oogenblikken te voren voorgevallen was, en weigerde gazetten te lezen, omdat er haar toch niets meer van bijbleef, maar wist nog de kleinste voorvallen, de minste bijzonderheden van vóór vijftig jaar.

Zoo is de ouderling.

Nauwelijks neemt hij deel aan het leven. Niets maakt nog indruk op zijnen geest; smart en vreugde laten hem schier onverschillig; zij kunnen aan zijn bestaan niets meer veranderen; zijn levensboek is vol geschreven; alleen onder aan de laatste bladzijde is nog een wit plaatsje, dat op het woordje einde wacht.

Intusschen doorbladert hij het bijna gesloten boek. Hij herleest zich als kind, als jongeling, als mensch, slaat hier

Sluiten