Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De zwarte koffiepot met zilveren beslag, eerbiedwaardig familiestuk, van geslacht tot geslacht overgeleverd, komt uit de glazen kast; de Japansche tasjes worden op het verlakte schenkbord geplaatst, de tafel met het kostelijke damasten laken gedekt, terwijl een vroolijk beukenvuur knetterend en sprankelend opvlamt in de zaal. — Dit woord alleen zegt al de uitgestrektheid der eer, welke aan den bezoeker bewezen wordt. De zaal, zoo heet bij ons de groote voorkamer, die met twee hooge vensters op den tuin geeft, waar een Doorrijksch tapijt op den grond ligt, eene pendule, met een verguld herderinnetje en zilveren schaapjes, op de schouw staat, en acht stoelen met kussens rondom eene blinkende mahoniehouten tafel de wacht houden: heiligdom van pracht en weelde, waar wij met eerbied hooren van spreken, doch dat voor ons kinderen zoowel als voor de zonnestralen zorgvuldig gesloten blijft. 6 's Donderdags gaan al die wonderen open. Op klokslag drie klinkt de huisbel. Onz' Mie, die voor de gelegenheid eene muts met linten op-, en eenen versch ontplooiden witten voorschoot aanheeft, opent dadelijk de deur, gaat den bezoeker vooraf, stelt zich ter zijde en verkondigt met deftige stem: „Mijnheer Van Bottel!"

En Mijnheer Van Bottel treedt binnen, maakt eene diepe buiging bij den ingang, nadert met gemeten stap tot bij den leunstoel, waar Tante in ouderwetsch toilet gereed zit, en drukt, volgens het gebruik der vorige eeuw, eenen eerbiedigen kus op de magere hand der dame.'

„Wees zoo goed plaats te nemen, Mijnheer", groet Tante, „ik ben gelukkig de eer te hebben u te mogen ontvangen."

Sluiten