Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De ridderromans trekken mij niet meer aan, de herderverhaaltjes laten mij onverschillig, de sprookjes ongeloovig. Roeland met zijnen hoorn en zijn zwaard doet me geeuwen; Galathee met hare schaapjes en rozenstrikjes schijnt me flauw; de Ridder met de Zwaan doet me schokschouderen: hoe moeilijk een mensch toch wordt, als hij veel gelezen heeft!

Eindelijk valt mijne aandacht op een zwaar boekdeel, eene van de Algemeene Historiën der vorige eeuw, vol houtsneden en platen, buitengewone avonturen en wonderlijke geschiedenissen.

Ik haal het van onder een berg papieren te voorschijn, en zit weldra op een hoop bundels, de vingeren in het haar en den foliant op de knieën.

Zonderling boek! Vreemde tooneelen!

Welke verhevene daden, welke heldenmoed! Welke verkleefdheid aan vrijheid en vaderland tegenover laffe wreedheid en kortzichtige dweeperij! « Wij zijn in den tijd der Nederlandsche beroerten.

„Onze gewesten, tegen de vreemde dwingelandij in opstand, hebben de Spaansche huurlingen verdreven, — Noord en Zuid reiken elkander de broederhand.

„Op eens verspreidt zich de tijding, dat de Spaansche benden in aantocht zijn... Alva staat aan 't hoofd! Bij dien naam siddert geheel Europa "

Zoo lees ik juist, wanneer op eens een gerucht in

de zaal Ik hoor de stem van Mijnheer Van Bottel, die

aanslaat, ik hoor de stem van Tante, die roept ik hoor

Man, die blaft..'., 'tIs alsof mij Alva op 'tlijf valt: ik sidder nog erger dan Europa.

Ik vlieg de trap af, en vind Tante verslagen en bijna bewusteloos in haren leunstoel liggen. „Ernest, Ernest!"

Sluiten