Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zegt zij verwijtend, „dat is niet wel van u", en voor de eerste maal lees ik spijt en misnoegen op haar altijd zoo vriendelijk gelaat.

„Integendeel", roept Mijnheer Van Bottel, „wel, zeerwel, Ernest, opperbest, mijn jongen: gij hebt mij eenen dienst bewezen, dien ik niet vergeten zal. Jaren zoek ik naar die papieren en nu eindelijk wedergevonden!" en hij toonde mij eenen bundel, dien hij onder den arm droeg, „gij zijt de oorzaak van dit gelukkig wedervinden: „nogmaals dank!" en vóór ik den tijd heb mij te herkennen, heeft Mijnheer Van Bottel zijnen hoed genomen, Tante gegroet en is met de papieren de deur uit.

De uitlegging der geheele zaak laat zich niet wachten:

Man was de oorzaak van alles!

Als ik naar boven ging, was de hond mij opgevolgd.

Als ik rommelde in de boeken, had hij mee gerommeld. Als ik snuffelde in de papieren, had hij mee gesnuffeld; maar toen hij mij had zien plaats nemen met den foliant op de knieën, was hij naar de zaal teruggekeerd, niet zonder tusschen zijne tanden eenen bestoven perkamenten bundel mede te sleepen, waarvan hem de verdufte geur en bemorste randen wellicht meer dan de inhoud bekoord hadden.

Mijnheer Van Bottel had de papieren opgeraapt, het opschrift gelezen en beweerd, dat die bundel hem toebehoorde, en bij misslag onder de geschriften van Grootvader gebleven was. Tante wilde er zich tegen verzetten, Man zijnen buit met geweld verdedigen: Mijnheer van Bottel had stand gehouden, en was, met zijn buikje vooruit en den bundel onder den arm, vertrokken.

Mijn misstap was groot, onvergeeflijk!

Ik was op het boekenkamertje gedrongen, en 't was mij verboden!

Sluiten