Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en vóór ik den tijd heb een beweging te maken, rollen wij de smalle trap af, en komen in den stokvischwinkel terecht.

De roos verspreidt geen zoeter geuren,

declameert de sigarenproever, eenen haring van de toonbank grijpend.

De morgenzon geen heller kleuren,

rijmt de student met het blauw cravatje, de dichter van den hoop.

| Dan gij, o Amarillis!

besluit Ulrich, terwijl hij met de vingers een hoofsch kusje zendt aan mijne nette waardinne, die met een hagelwit voorschootje en gepijpt mutsje in den winkel stond en voor vier centen kaas in een grauw papiertje geriefde. 1 &

„Menheere", kwam mijn dik huisbaasje ons hijgend en blazend op straat achterna geloopen, „menheere, gij vergeet uwen sleutel."

Ik wendde mij om: statig en fier ontving ik uit zijne hand den sleutel, - het sprekend zinnebeeld van den vrijen student; - mijne drie makkers staarden mij aan, ontdekten hunnen schedel: - ik was ridder geslagen!

„Hij heeft den sleutel: wij zullen er eenen goede van maken", keurden mijne patroneren welke twee mij onder de armen vatten, terwijl Ulrich, met zijnen zwaren rietstok op den schouder, den stoet sloot.

Sluiten