Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Waar wilt gij met mij henen?" vraag ik eindelijk, alhoewel ik innig bereid was die drie vroolijke snaken te volgen, al ware het de wereld uit.

Dat zult gij leeren, op tijd en stond,

schertst de man van de achterwacht.

Gij gaat, waar de beker schuimt in 't rond,

troost de poëet van den rechterarm.

En, intusschen, houd uwen mond!

gebiedt de groote van den linkerkant, die minder versificatie, maar meer macht bezit, en mij door duchtige snokken dwingt stap te houden.

Zoo strunkelen Wij twee straten door, eenen donkeren gang binnen, en doe ik half goedswils half gedwongen, mijne intrede in de lage achterkamer eener Vlaamsche herberg.

Een dikke rookwolk zweeft over het geheel. Ik onderscheid niets dan eene lange smalle tafel, op die tafel ontelbare glazen en te midden eenen witten pot, waaruit een logge damp in de hoogte stijgt.

Allengs worden mijne oogen aan den tabaksrook gewend.

Rondom de tafel beginnep zich op den grijzen nevel eenige figuren af te teekenen: spotzieke en schertsende schimmen van veelbelovende juristen, zorgelooze en vergenoegde gezichten van^ankomende medici, blozende en

blinkende tronies van dikke studenten neen, dat niet —

van dikke studeerenden voor het notariaat, — die zich niets

Sluiten