Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoog in kleur; wiens kleine grijze oogen iets kouds en tevens iets treurigs hebben; wiens hoogblonde knevel eene dikke lip overschaduwt, die meestal tot ik weet niet welke uitdrukking van misnoegen en verachting geplooid staat.

Hij richt zich op, en noemt mij welkom met zoo zwaar eene basstem, dat men verwonderd opkijkt zulk forsch geluid uit zoo klein een instrument te hooren.

„Vriend en broeder Staas", zegt hij met ernst, „in naam der moedertaal, in naam van het duurbare Vlaamsche vaderland, in naam van ons allen, die gij hier vereenigd ziet tot verdediging onzer miskende rechten, druk ik u de broederhand." Hij gaf mij inderdaad eenen schok, dien ik lang gevoelde. „Kom bij ons; schaar u onder het Vlaamsche vaandel; strijd in onze gelederen; voeg u bij de zonen van Breidel, De Coninc en Artevelde, en eens zal Vlaanderen opstaan uit de ellende en vernedering!" en hij sprak die woorden met eene klem in de stem, eene kracht en eenen nadruk, die getuigden, dat het bij hem geen louter tijdverdrijf, geene vluchtige meening gold, maar eene diepe overtuiging, een onwrikbaar geloof, dat de jaren niet verzwakken noch wijzigen, maar steeds versterken en ontwikkelen zullen.

„Hoera, bravo!" klonk het van alle kanten, als de spreker zich nederzette. De ellende van Vlaanderen en Artevelde zijn twee snaren, welke men niet aanraken kan, zonder de flamingantsche geestdrift te doen trillen.

Toen eerst begreep ik, wat er met mij gebeurde.

Ik was opgenomen, ingelijfd, „binnengepalmd", gelijk mijn sigaarrooker zeide, in eene der halfletterkundige, halfpolitieke, maar altijd vroolijke kringen, welke zich toen aan de hoogescholen vormden.

Mijne patronen lieten mij een schuimend glas voorzetten.

Sluiten