Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De vrienden hebben mij laat in den nacht verlaten.

Ulrich is diep bewogen de trap afgetrokken, „welke hij nooit meer betreden zal", gelijk hij tusschen zijne tranen verklaarde, en heeft mij wel twintigmaal omhelsd.

Te midden der puinhoopen van mijn studentenleven zit ik mijn reispak te maken.

Hoe gelukkig moet ik wezen!

Doch neen. Een pijnlijk gevoel beklemt mij het hart.

Ik voel, dat wij gisteren de uitvaart van ons zorgeloos jongelingsleven hielden; ik begrijp, dat Ulrich weende; ik versta, waarom de handdruk der vrienden zoo knellend, zoo hartstochtig was.

Voor de laatste maal plaats ik mij nog eens in den nederigen leunstoel, trouwen getuige mijner werkzaamheid, wanneer ik bij het naderen der examens dag en nacht zat te blokken.

Nog eens loop ik het kamertje rond, waarvan elk hoekje zijne herinnering heeft, — nog eens zie ik door het venster waarbij ik zoo menigen genoeglijken achtermiddag verloor, zoo menig uurtje goddelijk sleet a'n doelloos peinzen en zalig luieriken, — nog eenmaal tuur ik rond naar mijne geburen aan de overzijde.

Ik werp een laatste lonkje in het sigarenmagazijn op den hoek, aan het knap en tergend winkeldochtertje, dat door al de studenten wordt gevrijd en bemind; — ik geef eenen afscheidsblik aan de statige woning der oude rijke dame met haar behaagziek nichtje, een meisje, dat tot Ulrich toe zou verleid hebben, indien zijn hart niet elders aan boeien lag; ik waag een onbescheiden kijkje naar de lievé naaisterkens, bij de modiste, die altijd hare gordijn liet vallen, als ik vrienden op mijne kamer had; — ik zeg eindelijk een opperst vaarwel aan geheel het klein wereldje,

Sluiten