Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

's Anderendaags verscheen Mijnheer Van Bottel. Het is dezelfde man niet meer: de oogen staan hem diep en hol in het hoofd, zijn vroolijk gelaat schijnt somber en getergd.

Zonder een woord van aanmoediging ontplooit hij mijn diploma, en leest onverschillig het „metgroote onderscheiding", waar ik zooveel van verwacht.

„Zoo, zoo, Ernest", zegt hij koeltjes, „gij zijt dus doctor in de rechten?"

„Advocaat", verbetert Tante.

„Advocaat", herneemt bitsig Van Bottel, „mooi volkje, de advocaten!"

„Hoe zoo?" vraagt tante; want ik had weinig lust om over de verdiensten der advocaten te twisten, „waart gij niet van gevoelen, dat het een schoone staat is?"

„Maar de ondervinding leert", bromt het ontvangertje, „en het spreekwoord is maar al te waar: advocaten en geneesheeren leven niet dan van een andermans zweet, zorgen en leed".

Tante stond verslagen: ik keek onzen vriend verwonderd aan, en inderdaad zijn buikje was gesmolten, zijne blozende wangen verbleekt, zijne dubbele kin verdwenen, en op zijn vroeger zoo glad gezichtje stonden kommer en zorg in diepe groeven geteekend. Zouden de advocaten daar schuld aan hebben?

Ja, het kwam er ten laatste uit. Het ongeduld was sterker geweest dan de beloften. Zonder het aan iemand te vertrouwen, had hij zijn proces begonnen en op alle

punten verloren.

Na veel loopen en wachten, na ontelbare uitstellen en verschuivingen, na verschillende pleidooien en vonnissen, maar bovenal na een dure reeks van honorariën ende onkosten,

Sluiten