Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De koning of keizer plaatste zijne gerechtshoven nevens en boven de schepenbanken der gemeenten; de buitengewone jurisdictiën overtroffen weldra de gewone rechtslichamen in gezag en tal; eene eindelooze verscheidenheid van wetten en ordonnantiën, van edicten en decreten, van bevelen en plakkaten, van hoven en rechtbanken, verving de eenvoudige volksinstellingen der eerste tijden, zoodanig dat op het einde der laatste eeuw de rechtsbedeeling hier te lande in eenen waren doolhof herschapen was.

Oe hadt den Orooten Raad van Mechelen en den Souvereinen Raad van Brabant, de Hoven van Vlaanderen en Henegouwen, het Leenhof en de Latenbank, de Schepencolleges en de Lakenhallen, en verder eene bonte menigte van proosten en wethouders, schouten en drossaards, commoignemeesters en ambtsmannen, vorstmeesters en houtvesters, tolkamers en watergraven, syndicalen en deelmannen, paysierders en halheeren, dekens en supposten, en dit alles vonniste en rechtte, oordeelde en besliste ondereen, boveneen, en dikwijls tegeneen, dat er den rampzaligen pleiter hooren en zien, maar vooral duiten en penningen van vergingen.

Nog waren het de oude vormen, maar zonder licht en zonder leven; nog bezat men de oude benamingen, maar zonder waarde en zonder kracht: eene schaduw van waarborgen zonder wezenlijkheid, een schijn van vrijheid zonder waarheid.

Het eens zoo stevig en trotsch gebouw stond nog recht; doch het droeg de sporen van zoovele verwoestingen, de wonden van zoovele aanvallen! Burgondiër, Spanjaard, Oostenrijker hadden beurtelings de sterke grondvesten zoodanig ondermijnd, al de deelen zoo vaak besprongen, dat het eenen eeuwenouden burcht geleek, met onthoofde torens, ingestorte gewelven, holle vensters, waggelende wanden,

Sluiten