Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan te trekken. De hoffelijkheid is uit Themis' tempel niet gebannen. Het wipneusje hoeft maar eens in het ronde te kijken, en drie, vier ridders bieden zich aan om de Fransche Genoveva tegen den Brabantschen Golo te verdedigen.

Dergelijke tooneelen veranderen in het oneindige; doch het bureel heeft ook zijne gewone cliënten, juist gelijk de correctioneele rechtbank haar vast publiek en hare altijd terugkomende bezoekers bezit.

Karei Janssens is een levend voorbeeld der ongeneesbare pro-deïsten.

De arme man lijdt aan eene der ergste kwalen, welke het zwakke menschdom teisteren: hij is aangedaan van de erfziekte. Zijn oud moeitje heeft hem vóór jaren eens gezegd : „jongen, als alles recht gaat, zult gij nog eens gelukkig zijn in de wereld." Hoe, óp welke wijze, waardoor of waarom, daar heeft moeitje geen woord van gesproken, hetgeen niet belet, dat Karei vast overtuigd blijft, dat hij eens eene groote erfenis moet doen. Die gedachte is met hem opgegroeid, zij belet hem 's nachts te slapen en in den dag te werken, en hij, die door den arbeid wellicht het geluk zou gevonden hebben, blijft in werkeloosheid en ellende op een ingebeeld erfdeel wachten. Tot zijn ongeluk bestaan er in Vlaanderen zoovele Janssens, als Mullers in Duitschland of Smiths in Engeland. Ook gaat er geen jaar voorbij, of Karei krijgt eenen aanval zijner kwaal, die zich door de volgende kenteekens veropenbaart.

Karei Janssens, met de pet in de hand, eenen vuilen papierenbundel vooruitstekende:

„Menheer de President, ik zou geern'nen avecaat hebben."

De Voorzitter: — „Waarom, man lief?"

Janssens: — „Wel, Menhear de President, Nicht Janssens

Sluiten