Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij" het verlaten der verhoorzaal vond ik mijnen cliënt met den arm tegen eene der zuilen van het paleis geleund. De man zag er diep ongelukkig uit en scheen in pijnlijke vertwijfeling verzonken. Zijne zindelijke kleeding duidde eenen oppassenden arbeider aan; maar zijn gelaat, zoo mager, zoo bleek, zoo afgeteerd, verhaalde een geheel drama van bitter lijden en verborgene smart.

„Tot morgen, vriend", zeide ik hem in het voorbijgaan.

Wekte die groet hem uit diepe bedenkingen, of moedigde hij hem tot spreken aan, althans hij naderde met de klak in de hand en half betraande oogen.

„Zou ik u hier geen woord mogen zeggen?" vroeg hij zich bedwingend. „Het valt mij zoo zwaar eenen dag langer te wachten", voegde hij er half luid en als beschaamd bij.

In den toon dier woorden lag iets zoo aandoenlijks, dat ik mij diep getroffen voelde. Wij verwijderden ons van de groepen, die bij het eindigen der zittingen onder de gaanderijen staan, en ik beloofde aan den werkman voor hem te doen al wat in mijne macht lag.

„Ik dank u, Mijnheer", hernam hij. „Een werkman moet zoo dikwijls onrecht lijden en zijn leed verkroppen, dat hij er eindelijk aan twijfelt, of er voor den arme wel recht bestaat op de wereld.

„Ik ken een goed ambacht", ging hij voort, „en mijne handen zijn nooit te zwaar geweest. Werk en winkels zoude ik genoeg kunnen vinden, en toch loop ik sedert acht dagen straat op straat af, zonder eenen slag werk, zonder eenen stuiver te verdienen, terwijl mijne vrouw en kinderen gebrek moeten lijden.

„Ze zeggen, dat de wet zoo is; maar kan er wel eene wet bestaan, die den huisvader belet het dagelijksch brood te winnen voor zijn gezin?"

Sluiten