Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de oneindige lijst der afhoudingen en boeten van allen aard en onder alle voorwendsel, zoodanig dat de werklieden, na eene week zwaren arbeid, verre van te trekken, soms nog op te leggen hadden.

Wie dorst opstaan, kon elders bezigheid zoeken; maar het kwam altijd uit, dat hij schuld had aan zijnen baas, en het werkboekje bleef in pand. De arme werklieden liepen drie, vier dagen met ledige handen, en „van armoede"; gelijk Baas Staelens het noemde, moesten zij wederkeeren en de wreede wet van den hardvochtigen meester ondergaan.

Verstraeten verbleekte, als hij mij van verre de fabriek aanwees, en beefde van schrik, toen ik bij zijnen geduchten meester vrij hard met de bel trok.

Wij werden ontvangen in het kantoor, smerig berookt kamertje met witte, of beter, grijs bestovene wanden. Groene blinden stonden voor de donkere vensters, en in den hoek een kreupele lessenaar, waarachter een soort van menschelijke gedaante zat, met eene bruin fluweelen pots op den kalen schedel, die ons, over zijnen stalen bril heen, met nijdige katoogen aankeek. Het oorspronkelijke beantwoordde geheel aan het portret mij door Verstraeten afgeschilderd. Nooit heb ik gefronst voorhoofd, vluchtende wenkbrauwen, scherpen neus, toegenepene lippen en vooruitstekende kin gezien, waarop lagere schraapzucht en terugstootende hardheid in diepere trekken gegriffeld stonden.

Hij schoof met zijne knokkelige vuile vingers zijne pots eventjes op, zonder ons te verzoeken plaats te nemen.

Ik begreep aanstonds, dat het hier onnoodig was eenen oproep tot medelijden te beproeven, en ik diende mij aan als Ernest Staas, advocaat.

Ik moest er wel nietig uitzien in de oogen van Staelens. Hij richtte zich op, boog zich over den lessenaar, en mij

Sluiten