Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iemand, die voor niet pleitte, scheen hem eene ijselijkheid zonder weerga.

Ik moest van het oogenblik gebruik maken.

„Mijnheer", zegde ik rechtstaande, „ik zie, dat alle verder onderhoud nutteloos, en alle moeite tot minnelijke schikking verloren is. Wij zullen dus de zaak voor de rechtbank brengen."

„Breng voor de rechtbank, al wat gij wilt", snauwde hij mij toe.

„En het publiek zal weten, hoe gij uwe onderhoorigen behandelt, en hun het zuur gewonnen brood uit den mond ontsteelt", ging ik bedaard voort.

„Die geld heeft, trekt zich het publiek niet aan", kreet hij woedend.

„En uwe werklieden zullen leeren, waar zij hulp en bescherming kunnen vinden en recht kunnen eischen."

Bij die woorden nam ik mijnen hoed van den lessenaar, streek er langzaam het stof af, en verliet zonder groeten het kantoor.

Die stap had den verwachten uitslag. De laatste woorden hadden hun doel getroffen. Wij hadden geene vijf schreden op den overgang gemaakt, of Staelens kwam ons nageloopen, pakte Verstraeten bij den arm en trok hem terug in de kamer.

„Maar, Mijnheer de Advocaat", zeide hij op stillen toon, de deur zorgvuldig sluitend, uit vrees dat men op de fabriek onze stem mocht hooren, „ik heb het boekje immers niet geweigerd? Ik weiger het nog niet. Ik wil al doen wat ik kan om de zaak bij te leggen. Dat Verstraeten maar de helft zijner rekening betale, en ik verleen volle kwijtschelding."

„Geenen centiem!" antwoordde ik.

Sluiten