Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uren moesten aanschuiven, en ik vond het van mijne waardigheid ten minste met minuten te beginnen.

Toen ik de deur opentrok, stond mijne bezoekster bij de schouw, met den arm uitgestrekt, het lichaam recht, het linkerbeen vooruit.

„Mijnheer de advocaat", zoo viel zij mij op het lijf, „ik heet Mie Qoebloed, en ben de oude presidentin der Vriendschappelijke Eigenaars, eene maatschappij, die ik zelve gesticht en tot stand heb gebracht, waar ik mijne voeten voor uit mijne schoenen heb geloopen, en die mij nu afstelt, wegjaagt, bedriegt en besteelt.... maar enfin!"

En zij plaatste hare magere armen in de zij, en keek mij uitdagend aan.

Al die woorden waren reeds uit haren mond gevloeid, vóór ik den tijd had haar eenen stoel aan te bieden, en kennis kon maken met de zonderlinge personage, die het toeval of het opschrift mij zond.

Mie Goebloed was recht als een stok, mager als eene graat, scherp als een zwaard. Haar beenderig gelaat, doorgroefd voorhoofd, snijdende blik, roofvogelsneus, puntige tanden en getrokken mond, duidden eene dier gierige en kwaadsprekende vrouwen aan, die de plaag zijn harer betrekkingen, de schrik harer gebuurte.

Van de oogenblikken wachtens had zij gebruik gemaakt om met hare afgeteerde vingers, vier, vijf smerige briefkens, die jaren in haren zak hadden gezeten, en welke zij hare pampieren noemde, op tafel uiteen te leggen en met primo, secondo, te rangschikken. Hare snuifdoos stond in het midden.

„Juffrouw", en ik bood haar eenen stoel aan, „welken dienst kan ik u bewijzen?" „Ik ben geene juffrouw, ik heet Mie Goebloed; maar

Sluiten