Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mijn recht toch niet verminderen, en zal ik mijn geld niet

minder moeten hebben, gij valschaards, gij

„Ik moest de zaal uitgaan; want ik zou te veel hebben gezegd. Van dit oogenblik noem ik de maatschappij, welke ik de Vriendschappelijke Eigenaars doopte, niet anders meer dan de Bedriegachtige, de Diefachtige Eigenaars, en ze verdienen het!"

Ik wees met mijnen vinger op de tafel naar de papieren, die daar lagen, om toch iets te weet te komen; want er tusschen spreken, was olie op 't vuur.

„Ja, Mijnheer", hernam zij, „ik kom er aan. — Dat is", en zij plaatste mij het vuilste blauwe boeksken in de hand, dat ik ooit gezien heb, „dat is ons reglement, een reglement, dat ik opgesteld heb, dat ik op mijne eigene kosten uit Vlaanderen heb doen komen, en dat ze nu willen omverwerpen en miskennen, de bedriegers!— Lees dat, Mijnheer, en gij zult oordeelen."

Ik nam het boeksken en te midden van olie, vet en snuifvlekken, ontdekte ik, welk stuk ik in de handen had, en tot welk soort van mensch ik de eer had te spreken of beter niet te spreken.

Dit schrift was het regelement van eene maatschappij van kleine eigenaars, en mijne bezoekster de stichteresse en gewezen presidente van de vereeniging.

Die gezelschappen zijn zeer eigenaardige instefltngen.

In de steden bestaan er een groot aantal kleine woningen, door de laagste volksklas betrokken. Die huisjes zijn verhuurd, volgens het oud gebruik, tegen eenige stuivers per week. 's Zondags morgens gaat de ontvanger der eigenaars met eene linnen beurs rond, klopt aan elk deurken en ontvangt de verschuldigde stuivers, als hij geene scheldwoorden naar het hoofd krijgt in plaats van geld in de beurs.

Sluiten