Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sprekendheid op den neus waren terneergekomen, weder in fatsoen.

„Lees nu dat stuk", en zij* behandigde mij de quitantie van eenen zaakwaarnemer der stad, wiens rekening in zake Maria Goebloed tegen Theresia Van der Aa, weduwe Peeters, vrij hoog kwam.

„En onderzoek nu dat eens: gij zult zien, wat die heeren aan mij durven schrijven, aan mij, die zooveel voor hen gedaan heb."

Het was een brief van het nieuw bestuur der Vriendschappelijke Eigenaars, waarin de geheimschrijver, namens de commissie, aan Maria Goebloed liet weten, dat het onmogelijk was de rekening van haren zaakwaarnemer te

voldoen „De algemeene vergadering", zoo luidde het

schrijven, „de eer der vereeniging voor oogen houdende, heeft het alzoo besloten als eene afkeuring van uw onmenschelijk gedrag."

„Welnu, Mijnheer, wat dunkt u van zulk stuk?"

,,Het is zeer streng", bemerkte ik.

„Streng! Het is eene schande, eene beleeding,

het roept wraak bij den Heer! Dat Iaat ik zoo niet! Het zijn lasteraars, ik moet mijne eer terughebben, kost wat kost! "

En Mie sloeg gedurig met hare handen in haren schoot met zulk geweld, dat ik het oogenblik te gemoet zag, dat haar katoenen kleed ging doorscheuren en hare beenderige knieën te voorschijn komen.

„Daar is niets van waar?" trachtte ik te bedaren.

„Maar, Mijnheer, daar iets van waar! Ik onmenschelijk! ik de goedheid zelve, ik die nooit ain iemand een slecht woord gegeven heb, ik die niets vraag aan iemand, dan mijn eerlijk geld, ik onmenschelijk!

Sluiten