Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Neen, Mij'nheer, zoo besta ik niet. Integendeel. Ik ben de eerste om de menschen een goed woord te geven, om ze vriendelijk aan te spreken, om hen met goeden raad te helpen, hen te doen verstaan, dat het niet ordentelijk is eene arme vrouw niet te voldoen en eene weduwe als mij te onderdrukken ...."

Weduwe ? Weduwe van wien ? Weduwe van wat ?

Dat wist zij zelve niet; maar zij had hooren zeggen, dat de advocaten de verdedigers van weduwen en weezen zijn, en vermits zij niet goed meer voor eene wees kon doorgaan, had zij het natuurlijk gevonden zich ten minste als eene weduwe voor te doen.

„Ik zal de zaak nader onderzoeken", besloot ik opstaande.

Zij sloeg hare snuifdoos toe, overhandigde mij de papieren, en haalde uit den hoek der kamer een groen regenscherm, met koperen stok en zware kruk, dat in hare gespierde hand, meer een wapen scheen tegen slechte betalers, dan eene beschutting tegen den afwezigen regen.

Met zwaren tred trok zij de trappen af, mompelend tegen de onderdrukkers van weduwen en weezen, terwijl haar parapluie in woeste beweging tegen de leuning aansloeg.

Ik moest, zoo heette het, de zaak nazien, maarwenschte vooral inlichtingen te nemen over den persoon. Zij waren licht te bekomen.

Mie Goebloed stond bekend bij al de rechters, advocaten, avoués en deurwaarders als eene vrouw zonder hart, die rijk, maar uitermate gierig, als eene bedelaresse leefde, en de arme lieden tot den laatsten stuiver afperste.

Het geval, dat zij mij half uitgelegd had, was afschuwelijk.

In een harer huisjes, vervallen hok zonder lucht noch licht, woonde eene arme weduwe, ditmaal oprecht weduwe en, eilaas! oprecht arm. Zij was met vijf kleinen gebleven,

Sluiten