Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Goebloed op denzelfden kouden, onbewogen toon, „ik twijfel geen oogenblik aan uwe belofte; maar zult gij u niet in de onmogelijkheid bevinden er aan te voldoen? Als gij blijft voortleven gelijk nu, denkt gij dan niet, dat gij dagelijks meer zult achteruit gaan en dieper zinken? Het verteer overtreft de winsten.

„Ge moet dikwijls tehuis blijven, uwe kalanten gaan verloren, de schulden groeien aan; daarom, vrouwken," en zij drukte het arm mensch de bevende hand, „moet ik u in uw eigen belang eenen goeden raad geven. De last is te zwaar voor u. In uwe plaats zou ik mijn kind naar het gasthuis doen...."

De weduwe had de redeneeringen van den vrouwelijken financier eerst met aandoening, dan met schrik aanhoord. Bij het laatste woord wierp zij de koude hand der raadgeefster weg, sprong op, vloog naar de sponde van het kind, drukte zijn kroezelkopje tusschen h|fe armen, en moeder en zoon begonnen luid te snikken.

„Kom, kom", vleide Mie Goebloed, „neem dat zoo niet op, dat zal wel overgaan. In het gasthuis is men beter verzorgd dan tehuis", en daar zij meende, dat het weenen

een weinig ophield „ik zal het kind dezen namiddag

maar laten weghalen."

„Mijn kind weghalen!" riep de moeder, zich als verwilderd omkeerend, „mij scheiden van mijnen zieken jongen! alles, ja, maar dat nooit!" en de geteisterde vrouw klemde haar kind vaster tegen de borst.

„Het doet mij spijt", antwoordde Mie Goebloed even koelbloedig, „maar dan kan ik geen uitstel geven; want ik ben zeker alles te verliezen", en zij deed teeken om de kamer te verlaten.

Toen volgde het pijnlijkste tooneel.

Sluiten