Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Maar zulk volk", en zij keek mij strak in de oogen, „vindt bij elkeen gehoor, en een arm verlaten schepsel, dat noch maag noch vriend heeft als ik, wordt overal verstooten; maar enfin "

En zich oprichtend voer zij voort:

„En dan die beleedigers Wie zijn zij?

„Heeft Mijnheer Braeckmans, de nieuwbakken president, in 't midden des winters geene drie ouderlooze kinderen doen op straat zetten, zonder dat zij wisten waarheen?

„Hij is betaald tot den laatsten stuiver, en ik heb er geen woord tegen gezegd, alhoewel mijn hart scheurde van medelijden.

„Die heer is rijk en ik ben arm; maar enfin....

„Heeft Mijnheer van Zeker, die nu zooveel gerucht maakt, en een gezicht trekt alsof 's keizers kat zijne nicht was, het dak van het huis niet doen afnemen om eenen stokouden man, die maar eenige dagen meer te leven had, weg te krijgen ?

„Heeft hij zijne onkosten niet opgestreken tot den laatsten centiem en ons het herplaatsen van zijn dak niet dubbel aangerekend ?

„Die heer neemt een kleinen van voor zijnen naam en draagt eenen gouden bril op zijnen neus; ik heet Mie Goebloed effenaf, en moet mij met eenen neusnijper behelpen ; maar enfin....

„Heeft Mijnheer Steurbout geene vrouw doen buitendragen, die juist in 't kinderbed was, en ben ik de eerste niet geweest om te zeggen, dat er van tijd tot tijd een voorbeeld moest gegeven worden?.... Nu 'tmij aangaat, is alles te veel. Nu speelt men den goedhartige met mijn geld. — 'tls gemakkelijk riemen te snijden uit een andermans^ leer; maar enfin " en de stem van Mie beefde van ontroering en woede.

Sluiten