Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik besloot er uit, dat de andere Vriendschappelijke Eigenaars de vriendschap hunner oude presidente overwaardig waren, doch bleef bij mijn eerste besluit.

„Het zal mij moeilijk vallen", bemerkte ik half bedeesd, „uwe zaak te pleiten."

„Ha, Mijnheer", hervatte Mie, hare fijne lippen tot eenen nijdigen grimlach plooiend: „gij zijtwaarschijnlij koverlast van werk!"

„Ik wist niet, waarom ik bij 't eerste bezoek zoolang moest wachten. Verontschuldig mij, Mijnheer, uwe kostbare oogenblikken te hebben misbruikt", en Mie Goebloed stond recht, neigde en boog alsof zij voor den grootsten rechtsgeleerde der wereld hadde gestaan.

Zij scharrelde hare papieren bijeen, plooide de stukken een voor een met zekere deftigheid.

Ik wilde haar uitlaten. Zij verstond in het geheel niet, dat ik mij zou derangeeren.

Eindelijk verliet zij met groote stappen de kamer.

Op den overgang keerde zij zich nog eens naar binnen, om mij tot op den grond te groeten.

„Nog eens, Mijnheer, vergeef mij mijne stoutheid", zoo luidde haar afscheid. „Ik ben u hoogst dankbaar voor uwe toegevendheid; en als er ooit menschen zijn, die mij vragen naar eenen advocaat, welke zijne cliënten doorzendt, zal ik de eer hebben hun uw adres te geven", en het kwaad wijf stoof de trap af.

Zoo vond en verloor ik mijne eerste cliënte.

Mie Goebloed troostte zich licht over mijne teergevoeligheid; zij ging naar eenen anderen advocaat!

Ik hoorde later de zaak pleiten. Het proces werd gewonnen ; doch het gedrag van de twee partijen blootgelegd, en Mie Goebloed zoowel als de Vriendschappelijke Eigenaars lieten beiden hunne beste pluimen in den strijd — maar enfin!

Sluiten