Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beurt de vertelling hernam van naaldeken tot draadje, zonder mij genade te doen van een woord, er als bezwarende omstandigheid bijvoegend, dat Plus voor haar ook noch beleefdheid noch ontzag toonde, en dat zij wel honderd keeren tot zich zelve gezegd had: „zij zal wel eens in de kaars vliegen, die fiere madame;" waarna de vrouw van kennis nog eens op hare manier alles herkauwde, hare tevredenheid uitdrukkende, dat Plus, dit kwaadsprekend wijf, eindelijk bij de tong gepakt was, maar tevens haar spijt betoonend, dat Vrouw Stuyck in den druk zou komen voor zulke deugniete.

Zij verzochten mij voor haar te dienen.

Zaterdag aanstaande, zal ik dus mijne stem mogen verheffen voor de miskende onschuld, voor den onderdrukten ouderdom.

De taak scheen mij gewichtig. Ik besefte, welke zware last mij op de schouders was getorst.

Wel honderd maal herhaalde ik mijn eerste pleidooi. Van één woord kon de eer, de rust, misschien de vrijheid dier vrouw afhangen. Het hoofd brandde mij van kommer. Mijn hart klopte van aandoening en vrees.

Ge zult misschien lachen met mijnen overdreven angst; maar ga slechts eenige jaren achteruit, stel u terug op het oogenblik dat de voorzitter voor de eerste maal tot u zegde: „Meester gij hebt het woord", en gij zult aanstonds begrijpen, aan welke benauwdheid ik toen leed.

Er waren vele zaken op 't vredegerecht.

Ik hoorde tot twee, vijf, tien en vijftien frank boete veroordeelen: schommelmeiden, die hare assche op de straat hadden geworpen zonder de vuilniskar af te wachten, — straatjongens, die de bel van den kruidenier hadden afge-

Sluiten