Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Soms schijnt het mij, dat dan, op dit late avonduur, de kamerdeur voorzichtig geopend wordt.

Een lichte tred glijdt over den grond, eene slanke gestalte rijst aan mijne zijde op, eene fijne hand drukt zachtjes mijnen arm en een liefelijk gelaat kijkt schuchter over mijnen schouder heen.

Ik weet, dat hare oogen elke beweging mijner pen volgen ; ik voel, dat hare wangen kleuren bij het lezen van het verhaal onzer kinderjaren en haar gemoed in zoete mijmering vervalt.

„Kom Ernest", zegt zij eindelijk, en hare stem neemt eenen vleienden en toch ernstigen toon, „wij zijn immers

geene kinderen meer! Wat baat het die lang vervlogene

tijden te herdenken! Het werkelijk leven is daar, en het is onze plicht met vertrouwen de toekomst in te blikken,

maar " en hare stem fluistert zachter, en zij kijkt mij

strak in de oogen, en glimlacht en bloost, en drukt mij eenen

vurigen kus op de lippen, „maar eindig niet zonder te

zeggen: dat Bertha niet vergeten had."

Sluiten