Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

armstoel, een wrangen glimlach om den nog altijd mooien mond, nam hem waar, radend wat er zelfzuchtigs in hem omging. Haar eene voet betikte ongeduldig het tapijt.

„Wat ik nog meer wou?" herhaalde zij halfluid, meer tot zichzelf dan tot haar zwager.

„Ja." Mr. Polenius, steeds voor den spiegel in beslag genomen door eigen beeld, schikte den speld met brillanten beter in het satijn van zijn das; vond deze das niet gedistingeerd genoeg. Zou beslist nóóit meer witte stippels op donkerblauw nemen. Smaak van zijn dochter, niet de zijne.

Mevrouw Polenius haalde de schouders op, als gaf zij zichzelf verlof tot een daad die zij afkeurde. „Zoo dikwijls als...." zij aarzelde, en vervolgde onwillig, „zoo dikwijls als ik Jenny's prachtige stem hoor.... denk ik er aan dat die altijd gesmoord zal moeten blijven hier tusschen vier muren.... dat ze zich hoogstens eens zal kunnen laten hooren op een concertje in den Haag of in een provinciestadje .... 't Kind zou 't, onder een geschikte buitenlandsche leiding, zóó ver kunnen brengen, en nu moet ze óndergaan, óndergaan in 't geven van armoedige lesjes hier.... niemand zal haar ooit naar Parijs of Berlijn willen sturen."

„Ik zeker niet." Mr. Frederik Polenius wijdde een laatsten blik aan zijn weerkaatste gestalte, trok de wenkbrauwen hoog, rekte breed de lippen, die wegscholen onder het volle blond van baard en snor, en toonde zijn schoonzuster aldus een zeer koel, trotsch en ontevreden gelaat met rechten neus, en voorhoofd smal door dicht geplant haar.

„Neen jij natuurlijk niet, Frederik, dat begrijp ik."

„Dat móét je ook, m'n waardste; ik meen wel dat ik voor je doe wat ik kan."

„Ik meen wel, Frederik, dat je iets aan de nagedachtenis van Paul verplicht bent. Paul was je eenige broer en de ziel van jouw kantoor, de leidende hand, de wijzende vinger, dus...."

„Paul was jouw man, en ik geloof nu niet dat je hem 't leven zóó bijzonder veraangenaamd hebt, en dat was toch wel een beetje 'n vereischte, hè, in zijn ziekelijken toestand."

Een rood van ergenis sloeg over mevrouw Polenius' wan-

Sluiten