Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij zou dan eindelijk iets goed móéten vinden wat van Mathilde was, hij de onverbiddelijk strenge criticus, die haar zoo gemarteld had eens met zijn gispen, zijn nooit goedvinden. En steeds zong Jenny, en begeleidde de moeder, zich terugdroomend in haar lang verbloeide jeugd, toen zij, als dit kind, haar hemel, haar alles wachtte van de kunst, toen zij nog klopte aan de gouden poort, die sedert zoo wreed voor haar gesloten bleef.

»Ich kann's nicht fassen, nicht glauben. Es hat ein Traum mich berückt Wie hat er doch unter allen Mich arme erhöht und beglückt.t

„En nooit ben ik beglückt", peinsde- Mathilde, toen de laatste zaligheidssnik zich had uitgesidderd in melodie.

»Du Ring an meinem Finger Mein Gold nes Ringelein.».

Deze juichende hymne wisselde weer af het bijna te nederige: „Ich kann's nicht fassen." Tegenwoordig hebben de vrouwen niet zoo slaafs meer lief," praatte het in Mathilde, „en de mannen zijn minder ridderlijk, maar wel breeder in hun opvattingen. Jawel, de vrouw, de normale vrouw zooals ik, heeft tóch wel een beetje dat. In spijt van honderd abnormaliteiten, als Trude, blijft het gros toch behept met 't „ewig weibliche".

Jenny, zich ganschelijk gevend, schalde nu uit van het volkomen huwelijksgeluk der gelieven, en Jenny's wangen beroosden zich, haar oogen donkerden tot zwart, wisselden gestadig van licht, in die glorie van geluk dat niet het hare was, dat zij enkel uitbeeldde, weergaf in een prachtige echo, met de buigingen, de heffingen harer stem, soms kweelend, dan orgelend, makend dit echtelijk en moedergeluk het hare. En de moeder leefde het mee, zich verbazend: „Hoe kan het zoo, hoe kan het zoo?"

Doch plotseling, bij het treurspel dat zich nu door den dood van den geliefden man ging afspelen, schrikte de moeder van den weduwemouw in de stem van die achttienjarige. Dat grootsch gelatene bij het gedwongen offeren door die diepe alt; een smartebazuin, waaraan zich nu niet meer

Mathilde Polenius. 3

Sluiten