Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van eigen gebreken op de schouders van anderen zou willen leggen; levend in een gestadig zelfbedrog; iedereen willende wijs maken dat men haar verkeerd zag en begreep. Meisje, dat bang er te veel leelijks te zien, nooit 't hachelijk paadje zou afdalen naar de spelonk van haar diepste ikje; dat altijd aan de oppervlakte van 't leven zou blijven scharrelen, nooit zou zoeken naar de kern van wét ook. Nietig kieskeurig vischje, graag zwemmend in 't schoonste water van 's levens vloed. Slijk en slib voor wien ook, maar niet voor haar.

Bah, heelemaal 't karakter van Frederik Polenius en zijn rijke zuster Micheline, in Indië. „En zij kón dat karakter niet veranderen, het had zich al gezét. Het zou met de jaren een nog vaster vorm aannemen. Het was niet meer kneedbaar. Het toonde een onafhankelijkheid, die steeds zou toenemen. Teederheid bleek van geen invloed. Het eenige wat Mathilde voor dit meisje zou kunnen doen, was streng waken. Frederik Polenius zag in dezen nog zoo kwaad niet, al had Mathilde hem geen gelijk willen geven, en had zij Ida's partij getrokken. Het eenige trouwens waarin Frederik rechtmatig sprak. {

Frederik Polenius, die zich belastte met Jules opvoeding, en den jongen dikwijls in zijn kantoor riep, om lange vermogen tegen hem te houden, zou er toch nooit in kunnen slagen, Jules tot een tweeden Frederik te maken. Daartoe helde Jules' karakter te veel naar dat van Jenny over. In zijn fijne zielevezelen borg zich een niet te verwachten taaiheid, die een lijdelijken weerstand bood, en waar tegenover de heerschzuchtige Frederik machteloos stond.

Jules had iets nobels, en Mathilde was er trotsch op.

Er waren tijden dat Mathilde vooral Trude en Ida verbaasd aankeek, zoo wetend dat zij niet bij deze twee menschen, wier daar zijn toch haar toedoen was, hoorde. Die gemoederen als verzegelde brieven, welke zij, de moederniet mocht openen! En als zij met geweld een cachet verbrak, en er zich een bladzij ontvouwde, las zij een taal die niet de hare was, die haar stuitte. En zij vroeg zich af waarom men als moeder de schepping steeds moest loven. „Dat men kinderen schiep in barenswee en lijdensnood, nu goed, als

Sluiten