Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mathilde schreef haar ouden makker nimmer in dien tijd; hij haar evenmin; hij had het onbeduidend kunstzusje geheel vergeten, en wist niet dat zij hem nóóit vergat. En had hij het geweten, wat zou hij zich bekommerd hebben over een hart min of meer om hem lijdend. Want hij was als de hommel, die de honig puurt uit elke bloem en vroolijk heenvliegt.

Met de kristallijnen snoeren zijner techniek steeds klaarder, steeds glanzender, met den breeden fluweelen weemoed der aandoenlijke zangen zijner andante's en adagio's, veroverde hij stad voor stad, land voor land. Hij verrukte vooral de vróuwen, die weenden aan zijn voeten, over zooveel gevoel uit die viool, welke Mathilde vroeger had doen weenen. Slaafsch dongen zij om zijn gunst, terwijl met een lachje hij zijn mannenhak zette op hun onderdanig willen. Een glimlach golfde om Mathilde's mond als zij dit, bij geruchte, in de kunstenaarswereld vernam. Dan had zij toch hooger gestaan, zij had zich niet aangeboden. En nooit zou een vrouw hem zóó liefhebben als zij, wier jonge hart steeds om hem pijnde in een schier niet gesloten wonde. En toch genoot zij van zijn glorie, die stralenkrans om zijn geestigen kop met de guitige oogen, soms zoo somber. Zijn glorie door Europa was weer deel van haar, evenals zijn begrensde roem het geweest was in het land en de stad waar zij beiden geboren waren en opgegroeid. Hij gaf concerten te Berlijn, en zij ging hem hooren op een bescheiden plaatsje, alleen lijdend en genietend tusschen vreemde menschen, die opgetogen in de handen klapten, met de voeten stampten, bravo riepen.... En zij zag hem buigen, buigen als vroeger, doch niet meer met verrukte open kijkers, met dien aanbidden]ken eenvoud van verrast kind, niet bescheiden als vroeger, maar met trotsch zelfbewustzijn, iets ontevredens om den mond, iets stuurschs in de oogen, als verveelde hem dat lawaai en was hij toch niet gelukkig. Het dons der naïeveteit van beginner bleek reeds lang weggevaagd. De hulde had haar werk gedaan.

Zijn heerlijk spel verrukte haar nóg meer dan vroeger, doch zij schreide niet langer, zij leed alleen maar in stilte.

Mathilde Polenius. 4

Sluiten