Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nolette baande zich eensklaps met ongeduldig handgebaar een weg door dien zich opdringenden kring van sterk geparfumeerde vrouwen, wier oogen hem toeflitsten als de brillanten tegen hun boezem en in hun haren.

„Nu rozeknopje, hoe heb ik 't met je, je bent zoo stil, zing eens wat ?" viel het stevige Hollandsch vreemd uit zijn mond in al dat weeke Duitsch.

Na zijn vernietigend oordeel in haar zitkamertje, deed het Mathilde pijnlijk aan, dit luchtig-lief uitgesproken bevel. Hij kon toch onmogelijk verlangen haar te hóóren zingen.

En zij weigerde beslist, zij zou niet zingen dien avond, vooral niet in tegenwoordigheid van mevrouw Ericksen, Nolette's tafeldame met de groote bruine oogen; en die, hem naam hoorende, schijnbaar jaloersch op elkeen die haar, de heldin van den avond, een blik van den gevierden violist ontstal, kwam aangezweefd om te vernemen wat Nolette wel kon interesseeren uit den mond van dit kind, dat zij brutaainieuwsgierig, lief-smadend lachend, zoo zeker van zichzelf, van het hoofd tot de voeten monsterde. Mathilde, in wie de gramschap gloeide, gaf deze vrouw van vijf en dertig ruimschoots hem blikken terug, tot vermaak van Nolette, die wel gaarne zulke schermpartijtjes tusschen vrouwen om zijnentwille aanzag. Maar hij was toch kwaad op het kleintje, zijn oud buurmeisje, dat ze zijn wil niet deed. Geen vrouw» weerstreefde immers hem, „den vioolkoning," zooals enkele bladen hem nu reeds noemden.

De zangeres Irene Ericksen zong. Iedereen klapte, zei dat het subliem was, Mathilde hoorde het niet, zag alleen Nolette Ericksen complimenteeren. En later, terugrijdend met de pianiste Helene Otto, het jonge meisje dat in haar buurt woonde, hoorde zij deze als in een benauwden droom zeggen dat er een verhouding bestond tusschen Nolette en die Irene. Het meisje, rijper dan Mathilde, lachte haar uit om haar verschrikte oogen en mond. „Een verhouding! ?" Hoe zondig en slecht leek het Mathilde toe. Zij kon er zich slechts een zeer vage voorstelling van maken, maar vreeselijk was het. „Iedereen weet 't dan, behalve jij," zei het kennisje lachend. „Kind, dat is zoo iets gewoons, en 't laat zich heel goed be-

Sluiten