Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't publiek niet hóéven te zeggen dat ze van der Pel heeten, maar kunnen teekenen Jochem of Evert of sterretje of koe of weet ik wat, dan dat ik ze als 'n van der Pel hoor galmen en gillen, of onzin zie neer krassen. Ik was er, verdomd, wel gekomen, als ik me met zulken beroerden liflaf had

opgehouën Enfin, nu weet je 't. Dit is mijn laatste

woord in dezen."

„Gelukkig maar," vond Mathilde, die haar vader nog liever hoorde brommen of vloeken, dan op deze manier vriendelijke beschouwingen ten beste geven. „Vriendelijkheid bleek zoo buiten zijn sfeer; zoo heelemaal er buiten."

Het was toen, dat Mathilde van moeder en zusjes vernam, dat Paul Polenius er eiken dag die drie weken geweest was, om te hooren hoe het met haar ging, en dan bloemen, bonbons en vruchten gebracht had, welke twee laatste artikelen de zusjes maar verorberd hadden. „Nolette kwam ook om een haverklap, en bracht telkens chocolade en mandarijntjes en zoo En je kon er toch niets van eten, Mat,

en toen hebben wij maar ...."

Mathilde's zwarte oogen gloeiden toornig in haar duizelende hoofd. De brutaliteit! Hoe dórst hij ? Zij sidderde van woede.

Niets wetend van haar lijden om hem, vertelde men haar in zegepraal, als gold 't succes haar, dat hij bij zijn vader logeerde, en concerten had gegeven in Amsterdam, Rotterdam, den Haag, Groningen, Leiden natuurlijk uitbundig geprezen en toegejuicht; zelfs door vader van der Pel, al had hij hem niet gehoord, want de couranten waren vol lot over Nolette. „Zijn buitenlandsche roem heeft eigenlijk eerst zijn roem in Holland bevestigd," vond deze, „en wat méér is, hij verdient er schatten geld mee, en dat is de hóófdzaak, meisje. Hè, dat is wat anders dan jij. Als je 't ook zóó doet, daar kan de schoorsteen nog eens van rooken. Wees dan maar kunstenaar voor mijn part."

„Die goeie Paul," zei Mathilde, alsof zij naar wat men van Nolette vertelde niet had geluisterd.

„Maar je zegt niets van den beroemde!" gilden de zusjes, „b 't niet vreeselijk aardig dat Hans je zooveel stuurde ?"

„O ja, vrééselijk aardig," herhaalde zij machinaal. Einde-

Sluiten