Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoogeren mensch, die thans klaar, o zoo klaar zagen, beschaamd zagen in de ziel .van haar dooden man. En het ontroerde haar nu tot weenens toe dat Paul, smachtend naar de liefde welke zij hem nooit had kunnen schenken, zichzelf en de kinderen steeds trachtte wijs te maken dat zij hém, Paul, verkozen had uit alle mannen die haar rozige jeugd omringden. Zoo edelmoedig en fijnvoelend was Paul ten haren opzichte geweest, en hóé schraal beloonde zij hem. Arme nobele Paul, die haar vriendelijke neef of vertrouwde vriend had moeten zijn, niet haar man. Nu lag zijn gesloopt lichaam, vrij van lijfs- en gemoedssmarten, te rusten in zijn eenzaam

graf, waarop Jenny haar leed kwam uitsnikken alleen,

want Jenny duldde bij zulk een kerkhofgang niemand naast zich. „Niemand weet wat papa was dan ik," beweerde zij dweepend. „Hij is mijn heilige." Misschien bleek, met al deze stille verwijten, Mathilde's weduwemouw een zwaardere te dragen, dan de rouw van zoovelen, die een uit liefde gehuwden man betreuren, zonder dat zij meenen in iets te kort te zijn geschoten tegenover den dierbare. Mathilde beweende twéé verlóren levens. En dit deed zij ook weer den nacht waarop Jenny haar zoo verbaasde met die rijpheid van zang.

Eenige dagen na dien avond kwamen de dames Helm, op Mathilde's briefje haar een bezoek brengen. Op den door hen bepaalden tijd, stond Mathilde hen voor de ramen der voorkamer op te wachten, en zag moeder en dochter al door het spionnetje aankomen; mevrouw Helm leunend op den arm van Everdien. Hoe burgerlijk en ouwelijk leken zij toch beiden.

Mevrouw Helm was, wel is waar, de zestig naderende, doch men gaf haar met genoegen èen aantal jaren meer in dien breeden zwarten mantel, dien degelijken zwartfluweelen kapothoed met den schotsgroenen vogel, die reeds op heel wat winterhoeden van mevrouw Helm dezelfde plaats had ingenomen, zijn geligen snavel bergend in een koolvormige dof, als was hij bezig er in te pikken. Everdien was gehuld in een mosgroen laken wandelpak, en in spijt van den mooien milden herfstdag omringde een dikke bonten boa haar hals. Zij zag er uit als had zij het blazend benauwd. Haar goedig,

Sluiten