Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heer en allicht niet zooveel pretenties hebben als dames, die soms erg lastig kunnen zijn.

„Ze komen om je strijkijzers, en ze komen om je kleerborstel en je spiritus, en ze willen zelf gaan koken, als ze dit niet bevalt of dit niet bevalt. Dat zien wij nou zelf, hè Everdien, aan de ouwe mevrouw Talen, 't Is 'n best mensch, maar ze heeft zoo verschrikkelijk der rariteiten en eigenaardigheden. Eef zegt dikwijls: ,Moe, waar haal je 't geduld vandaan ?' want zij vlamt dan wel 's op, Eef, maar ik doe zóó."

Mevrouw Helm hield vijf vingers voor haar oogen. „Nee, ik moet zeggen, we hadden veel liever meneer Bordinga, met die hadden we in de zes jaar dat ie bij ons woonde nooit iets, maar ongelukkigerwijze ging die trouwen

„Gelukkigerwijze, gelukkig voor hém," sprong snel van Everdiens lippen, en met een oolijk knipoogje, „dat trouwen dat wéét wat. Nee, maar dat 's nou.... alle gekheid op een stokje, maar 'n heer is veel makkelijker, als die zijn biefstuk maar bruingebakken vindt en de tafel netjes gedekt, en nu en dan 'n lekker vischje of 'n fijn dessertje. Ik zeg maar, de weg naar *n man z'n hart gaat door zijn maag. Ik heb 't wél niet bij meneer Bordinga ondervonden, al maakte ik nog zooveel lekkere schoteltjes klaar voor 'em, want hij koos 'n ander ha ha ha! Maar laten we hopen dat die dan lekkere schoteltjes voor 'em klaar maakt! Hij is 't ons nooit komen zeggen, hè moe?"

Everdien schudde van het lachen, en haar moeder schudde met haar mee, en vatte haar bij den arm, met oogen stralend van liefde. Mathilde keek glimlachend toe, en voelde een warmte haar hart doorstroomen. „O zeker, zij waren verre van mooi, de Helms, zij waren, niet rijk, niet élégant, niet geestig, niet kundig, maar er was in hen iets prachtigs, dat aangenamer aandeed dan schoonheid, rijkdom, élegantie, geest of kunde, want zij waren goed, dóór en dóór góéd, en dit verhief hun aUedaagschheid tot iets edels; en in spijt van hun worstelingen met het leven bleken zij zoo innig knustevreden met hun lot; en niemand benijdend, arme Helms, zij wisten niet wat dat was; zoo zielsgelukkig met elkaar en

Sluiten