Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Als mevrouw nou nog alleen woonde," vond Everdien.

„Maar lieve kind, wat zou 't dan nóg, met een ordentelijk mensch.... ik ben nu wel lang zoo mooi niet geweest als jij, Mathilde, maar ik bleef toch ook, na mijn mans dood, over met een meisje. Ja, ik kèn dat; families die in weelde leven, die kunnen zich niet indenken in den toestand van fatsoenlijke vrouwen die niet toekomen, zooals jij en ik."

„Nou, de hemel weet hoe hard ik 't noodig heb," zuchtte Mathilde, „ik doe 't heusch niet om me te amuseeren. U weet zelf wat een huishouding kost. Ik heb, behalve 't geen ik van mijn zwager trek, een poppig kapitaaltje, maar daar heb ik, sedert Pauls dood, al heel wat van ingeteerd. Ik zeg dat in vertrouwen tegen u, mijn eigen kinderen weten 't niet eens. 't Is een wanhoop. Maar om verantwoord te zijn tegenover mezelf en de meisjes, wil ik om een dame zoowel als om een heer adverteeren. Dan hebben' ze me niets te verwijten, de meisjes noch de Frederik Poleniussen."

„Welja, dat is 'n idee van je. Gut, Eef en ik, we zaten soms bar met de handen in ons haar, als er iemand zoo onverwachts ópzei. En juist als we, ten einde raad, samen een deuntje gingen huilen, kwam er iemand bellen, we droogden gauw onze oogen, we gingen naar 't salonnetje én

we troffen 't soms zóó best."

„O moe, weet u nog hoe meneer Bordinga zoo dóódverkouden bij ons kwam ? Hij deed niets dan zijn neus snuiten en kuchen, en wij ook, maar om 'n heel andere reden, en toen knikte hij zoo blij: ,De dames óók al verkouden? Ja, 't is er nu nét 't seizoen voor'. En wij: O ja meneer 1 Wij der maar op dóór, hè moe ?"

Mathilde's stemming verhelderde. Zij lachte om dit grappigverdrietige. „Mevrouw Helm, nog een lekker kopje

„Nee, heusch niet, kind, dank je."

„En Everdien, kóm, laat ik jou nog maar 's inschenken."

„Nee, nee, nee, mevrouw Polenius, dat zou mijn derde zijn "

„Ja, ga ze nu eens tellen."

„Nou, om ü te plezieren dan."

„Nog een beschuitje?"

Sluiten