Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

natuurlijk, hij vroeg ook dadelijk naar je, lieve kind. ,Hoe gaat 't Matty .... ik meen Mathilde, mevrouw Paul Polenius ....' Wij zeien van góéd ...."

„Ja, en wij vertelden dat uw man gestorven was," haastte zich Everdien, „en hij schrok dervan, nietwaar moe, hij verschrok bepaald."

„Ja, hij stond ervan versteld, dat kon je wel zien, hij wist er niks van. Hij zei zoo iets van: ,mijn vrouw is ook dood.' Wist jij dat, Mathilde? Al vier jaar."

„J.... ja ik had 't eens gelézen. In een kunstbericht

stond dat hij zijn medewerking op een muziekfeest in Bonn niet kon verleenen, omdat zijn vrouw juist was gestorven."

„Ik vroeg, waar logeert u, en hij gaf zijn adres: hotel Bellevue, niet waar Everdien ? Ik zei nog, nou dat is 'n heel eind van me vandaan, wij wonen Celebesstraat...."

„ J.... ja," sprak Mathilde weer flauwtjes.

Zij dorst niet vragen: „En heeft hij niet gevraagd, waar ik woon?"

„En ik zei, u is zoo'n beroemdheid, ik durf u niet te vragen of ik op 'n bezoek mag rekenen, u heeft er zeker geen tijd voor. En hij lachte weer en zei:

.Nonsens, laat u mijn zoogenaamde beroemdheid nu maar eens daar; als ik tijd heb en u wilt me ontvangen, zal 't me hoogst aangenaam zijn eens een urntje met oude kennissen te babbelen.'

,Lief van 'm, nietwaar?"

In Mathilde's hoofd dat ja knikte, klonk het al maar: „En naar mijn adres heeft hij niet gevraagd, heeft hij niet gevraagd. Ik was toch iets belangrij kers in zijn leven dan mevrouw Helm, al is ze nog zoo'n goed mensch." En machinaal schreef zij de advertentie, waarin zij inwoning aanbood aan een beschaafden heer of dito dame, blij even de goede Helms den rug toe te kunnen keeren, gezeten voor haar bureautje.

„Kom Eefje, laten wij nu eens heengaan, 't is nog zoo'n

lange weg "

„Moe, heb u nou de advertentie?" „Nee Eef, jij hebt 'em "'

Sluiten