Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

winkel, dat hij nu was haar stuk speelgoed, haar chose a elle, haar alleruitsluitendst eigendom, en zij huilde gelijk een kind, zij griende, zij drensde indien zij maar dacht dat een ander een vinger naar haar dierbare póp kon uitsteken. Als een spons een plas water, wilde zij Frederiks geheele persoonlijkheid inslokken, nooit vattend dat zij hem kwetste in zijn eigenwaarde, in zijn trots van man, gevoegd bij zijn bijzonderen trots van Mr. Frederik Polenius; er geen flauw besef van hebbend hoe hatelijk zij hem werd, welk een tegenzin, welk een walging hem tegemoet voer van haar druk doende kleine persoon. In salons zat Frederik dikwijls op doornen. Suzanne begreep niets van zijn pleidooien natuurlijk, of van rechtskwesties in het algemeen. Toch wilde zij zich aanhoudend er mede bemoeien, er haar óórdeel over geven, en Frederik zat vaak verstomd in gezelschap over de ezeldomme dingen die zijn gade met haar snibbig aplomb, als was het Salomons wijsheid, der schare verkondigde, en door dat snibbig aplomb lieden die het beter wisten den lust tot tegenspraak ontnam en tot een verbluft zwijgen bracht.

Eigenlijk was het Frederik nog aangenamer dat zijn vrouw kribbig was dan lief, en wanneer zij hem, in zijn bijzijn, tegenover bezoekers zat te prijzen wegens zijn „knapheid en geleerdheid", met een soort van leerarende bescherming, kon hij haar bepaald onthoofd hebben. Hij had voor deze gelegenheden een gedragslijn waaraan hij zich trouw hield:

Hij ging hoogelijk roemen haar pianospel, werkelijk beneden het middelmatige, of haar bekwaamheid in het maken van handwerkjes die nergens toe dienden. Alles op denzelfden beschermenden toon dien zij ten opzichte van hem gebruikte. En dit deed haar in verbittering zwijgen. Zij begreep dan wel hoé zij voor den gek werd gehouden, en toch wilde zij het malle prijzen niet laten. Zij vergaf hem dan naderhand, zooals men een schooljongen een ondeugende streek vergeeft; doch te weten hóé belachelijk zij hem maakte, kwam zij nooit; haar gebrek aan fijn gevoel, aan speurzin was te groot. Haar onhandigheid kon door niets gebreideld worden, noch haar verwaten [eigenliefde.

Sluiten