Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heb ik gehoord van je, kind? Ben je stout geweest?"

Hij liet zijn zeeblauwe oogen teeder dringen in de hare, en Mathilde's moreele wezen kantte zich in weeën afkeer, schoon zij haar best deed te glimlachen; haar ziek glimlachje. „Wat wilde deze man toch van haar, moeder van groote kinderen?" Al sinds jaren voelde zij met scherp vrouwen-instinct dat zij een bekoring uitoefende op Frederiks zinnen, maar deze verovering vleide haar trots allesbehalve; integendeel, deed haar dikwijls ontroeren van zekere onbestemde vrees. Als hij zoo lief werd, kon zij hem heelemaal niet uitstaan, sterkte zich haar tegenzin.

Zijn oogen lieten niet van haar af, zelfs niet terwijl hij een stoel greep, tegenover haar aan tafel. Zij wist niet waar zij de hare zou bergen, vestigde ze op haar werk.

„Nu?" vleide zijn stem week.

„Suzanne...." aarzelde zij.

„Ja juist, Suzanne, beste meid, Suzanne." Hij wreef zich vergenoegd de handen. „Ben je met mijn gemalin aan het kijven geweest? Hè?"

„Volstrekt niet Frederik, ik kijf nóóit. Dat is benéden me." Zij hief de kin op, trok de lippen trotsch smalend bijeen, liet hem lange wimpers bijna hem wangen dekken.

Frederik Polenius voelde zijn hart eerst loom dan dol in hem bonken. Sidderingen liepen hem tot in de vingertoppen; sidderingen van begeerte. En deze vrouw was niet van hém, den rijke. Hoe mooi was zij weer onder den gloed van het

lamplicht, zoo fijn bleek en ongerept haar huid En haar

groote oogen, en haar glanzend zwarte krulhaar. Zwart als van een jong meisje. Aanbiddelijk.

„Vertel jij me nu maar even wat er gebeurd is?" zei hij, zijn stoel wat aanschuivend, trachtend vriendelijke geruststelling uit zijn toon te doen klinken. Zij verhaalde hem koel, in zoo weinig mogelijk woorden al het gezegde tusschen haar en Suzanne; besluitend: „Suzanne provoceert onnoodig."

„Dat dóét ze."

Zóó lief had Mathilde Frederik nog nóóit gezien. Gewoon^lijk trok hij 'de partij zijner vrouw, omdat Mathilde zich

Sluiten