Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik geloof 't wel, ja. O ja, er is nog...." „Een mes, mama, alstublieft."

Hij hield haar, als was zij een kellner, bezig met zijn gezagvolle kleine bevelen, en Mathilde, anders wel eens wrevelig onder die airs, waarvan hij zich niet bewust was, gehoorzaamde hem werktuigelijk, met een vaag gevoel van onrust, of zij iets aan hem had goed te maken. Er werd wederom gebeld. Jenny trad de gang door, opgeruimd, zacht zingend:

,Du bist die Ruh' der Friede mild.

Die Sehnsucht du, und wasz sie stillt....'

„Zoo toepasselijk op wat zij, de moeder juist ondervonden had," meende Mathilde.

Jenny viel gelukkig niet uit a la onbesuisde Ida: „Hemel ma, wat ziet u bleek." De bedrijvigheid voor Jules had Mathilde haar gewone aanzien eenigszins weergegeven. Terloops dacht zij er nog aan hoe echt mannelijk egoïstisch Jules was. Hij merkte haar bleekheid op, veronderstelde haar lijdend, maar hij ging voor alles, hij moest worden bediend. Jenny had hem zoo verwend, zij was altijd zijn gehoorzame dienares geweest, doch dit nam niet weg dat zelfzucht diep in hem wortelde.

„Ma!" riep Jenny eensklaps vroolijk in haar oor, „nu heb ik u al driemaal gevraagd wat oom Frederik hier kwam doen, en u antwoordt maar niet."

Mathilde's hoofd schokte in schrik afkeerig zijwaarts. „Ja kindje, je moet 't mij niet kwalijk nemen, ik zei 't al tegen Jules, ik heb hoofdpijn. En je oom Frederik kwam spreken over geldzaken, en heusch over niets anders."

„Altijd over geldzaken. Vindt hij soms weer dat wij te veel verteren?"

,,'t Kan zijn. Nu nacht, kinderen; zeg aan Geesje dat ze sluit, Jenny, als Ida thuis is, ik kan niet meer, ik móét rusten."

Boven gekomen, ging Mathilde voorbij Trude's deur, die aanstond. Onhoorbaar opende Mathilde de deur iets verder. Trude zat nog diep gebogen over het dorre staathuishoudkundeboek, haar geleend door den jongen ambtenaar, wiens geest haar misschien, zonder dat zij zich rekenschap ervan

Sluiten