Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij als jonge onbezorgde kameraden te Amsterdam studeerden. Zij werd nog een weinig bleeker dan zij reeds was, deels omdat zij iets dat van hém kwam werkelijk in haar huis, haar kamer, haar hand hield, doch ook omdat het haar niet direct van hemzelf gewerd, maar door dérden tot haar kwam. Een tweestrijdig gevoelen als gewoonlijk: vreugde en leed. Altijd was het zoo geweest. Zuivere vreugde had zij nooit gesmaakt, zou zij waarschijnlijk nooit smaken. Noch de blijde vuurroode Everdien, noch Jenny, die al in de concertzaal zat, wier oogen lachten, wier wit gezichtje in rozengloed stond, bemerkte iets van Mathilde's ontroering. „Gelukkig maar."

„Wij hebben der ook een, hi hi hi!" verheugde zich Everdien. „Verbeeld u hoe vreesdij k aardig.... eergisteren hebben we u toch verteld dat we meneer gesproken hadden, en van morgen kreeg moe een briefje, o zoo'n aardig briefje met de kaartjes, en 't verzoek er u een van te geven, want hij had vergeten naar uw adres te vragen. Ziet u, dat 't voor 't twééde concert is, 't tweede geeft meneer alleen met een zangeres in 't gebouw Düigentia, en den eersten keer spedt ie óp Diligentiaconcert. Ik heb al zulke groote affiches gezien op t Buitenhof en zoo. Voor óns is 't zoo'n buitenkansje! Verbeeld u, moe en ik op concert! vroeger waren we lid van Cecilia, maar in de laatste jaren komen we nergens meer.... maar zoo'n beroemdheid was tóch altijd veel te duur voor óns geweest. Oók toevallig dat we in Amsterdam in uw buurt woonden en bij uw mama op visite kwamen...."

Mathilde lachte zacht om de naieve blijdschap van Everdien.

„Maar ma, zégt u dan toch iets!" dwong Jenny, „vind u 't niet héérlijk? U gaat toch met me?"

„O god kind, ik wéét niet of ik ga, ik zit zoo in de zorgen. Ik geloof niet dat ik er lust toe heb. Ik moet eerst een humder voor mijn kamers krijgen."

„Kóm, mevrouw Polenius, daarom niet getreurd, der zal nog wd iemand kómen! Moe en ik hebben zoo dikwijls voor zulke gevallen gestaan. Zóó'n invitatie mag u niet afslaan, als ik zoo vrij mag wezen 't te zeggen," besloot Everdien, bang dat zij te brutaal was geweest tegenover de statige mevrouw Polenius.

Sluiten