Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zèg jij maar, hoor, beste Everdien," Mathilde reikte haar de'hand, ,,'t is erg hartelijk van je dat je me dadelijk dat kaartje komt brengen."

„Hartelijk mevrouw!? dat is nou niet meer dan plicht. Dat zegt móé ook. Nee, hoor 's, daar moet u nou nies bijzonders in zien."

„Ik zie er 't bijzondere van jullie goedheid in. Nu heeft ze "misschien nog tramgeld voor me uitgegeven."

„Och, welnéé, en wat zou dat nou? Een dubbeltje kan er nog wel af. Zóó schraal hebben we 't nou nog niet."

En Everdien genoot, in lachen. „Nou hoor, denk u er nog 's sterk over, mevrouw. Ik zeg maar de buitenkansjes liggen niet opgescheept. En dan uw ouwe kennis?"

„Dat is 't juist, ma heeft ons nooit iets van meneer Nolette verteld, alleen maar dat ma hem vroeger gekend heeft!" voelde Jenny zich verongelijkt.

„Iedereen zou er trótsch op zijn zóó iemand te kennen, en nooit ophouden over hem te spreken. Maar ma is ook zoo'n bijzonder mensch. Ik heb nog nooit zoo'n vreemd mensch gezien als ma, nog nóóit...."

„Ja, en dat op jóuw leeftijd, je bent al zoo óód, hè Jenny ? spotte Mathilde. „Maar kindjelief, wit viel er nu te vertellen ? Heusch niets bijzonders. Meneer Nolette en ik zijn samen op de muziekschool gegaan, alléén hij was veel eerder klaar dan ik, en ging al heel jong naar 't buitenland, en daar had hij heel veel succes, zooals trouwens iedereen in de couranten kon lezen."

„O dat," minachtte Jenny, „ik wilde juist weten wat niet in de courant stond, of hij aardig was en zoo, en hóé hij met u was."

„O heel aardig natumlijk, hè?" haastte zich Everdien met de opgeruimdheid der eenvoudige van hart, die altijd 't beste wil, en vooral gunstig oordeelt over eiken toestand waarin zij niet is ingewijd. „Zoo hartelijk, nietwaar mevrouw?" Mathilde was Everdien werkelijk dankbaar voor dit schild, waarachter zij zich bergen kon. „Verbeeld je, zij haar kinderen meer dan noodig was vertellen van haar verleden? Om door de moderne dochtertjes uitgelachen en voor mal

Sluiten