Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik was toch met je vader getrouwd, kind."

„Maar met een goed vriend kan je toch altijd correspondeeren. Dat vind ik bepaald bekrompen van u. Denkt u dat ik niet zoo iets zou doen?"

„Wij e enfin, wegens verschil in meening zijn we,

ik geloof dat ik 't je al eens vertéld heb, op niet zoo'n heel prettige manier gescheiden destijds. En och, dat gaat zoo,

je verliest mekaar uit 't oog meneer Nolette had zich

waarlijk wel om andere relaties te bekommeren dan mij onbekendheid "

Jenny schudde wijs het hoofdje.

„Een vrouw als u, moeder, wordt niet vergeten, vooral niet door een man."

„Jenny!" Mathilde riep in nadruk, half verschrikt, half lachend: „Ik word bang van je wijsheid en van je orakeltoon. Heb je dat niet ergens uit onthouden ? Een zin uit een boek? Wat weet jij nu van mannen?"

„Niets, maar ik kan 't toch begrijpen, als ik u aanzie en de portretten uit uw jeugd zie. U was prachtig/'

„Dank je, dank je, dochter, voor 't eerste compliment dat je me van je leven maakt, 't Is haast te mooi. Maar kind, omdat je niets van mannen weet, kun je van je moeder leereni die meer dan eens zoo oud is als jij, dat mannen, op héél enkele uitzonderingen na, maar al te graag en te gauw vergeten."

„Henri Nolette niet."

„Juist hij; kunstenaars zijn menschen van het oogenblik." „En dat kaartje dan?"

„O, ze hebben dikwijls, als vorsten, lieve oogenblikken waarin ze de nederigen gedenken. Maar in den regel kun je evenmin op ze aan als op een massa van die hooge personages. Om een niets ben je in de gunst, om een niets er uit"

„Ik stel kunstenaars, ware tenminste, hooger dan vorsten! Ik zou liever de negende Symphonie hebben geschreven of de Messias of de Mattheus-passion dan keizer van Duitschland wezen," dweepte Jenny.

„Jenny, ga heen met je extase. Doe dat kaartje maar in de bus.

Sluiten