Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menschen zoo waren, en mama niet laf vleiden en haar verkeerde denkbeelden stijfden, zou het veel beter zijn. Maar ongelukkigerwijze werd mama, natuurlijk ómdat zij de rijke mevrouw Polenius was, die veel kon doen en deed, overal met vreugde en zekere zegepraal binnengehaald en aangehoord. Bah, hoe dom en akelig waren de menschen toch. En onwillekeurig dacht nu Etha, terwijl de trein haar en haar ouders al verder wegvoerde: „Was ik maar een kind van tante Mathilde."

Na een zenuwtoeval voor haars vaders lijk, deels aanstellerij, moest Suzanne, zeer tot verlichting van man en dochter, naar bed; en nam Etha de gelegenheid waar om te zeggen, haar arm bijna beschermend om Frederiks hals:

„Papa, u moet tante Mathilde wél bericht zenden van grootpapa's overlijden. Ze is de eenige familie die wij in den Haag hebben."

Frederik kuste haar vol blijde verrassing. „Jij bent nog eens een best kind. Ik geloof dat je toch wél een beetje van tante Mathilde houd "

„O ja, heusch papa, u denkt aan dat van laatst. Maar dat was niets "

„Welnee, we hebben allemaal wel eens van die opwellinkjes hè poes "

„Papa, wil ik soms tante Mathilde schrijven? U weet wel omdat mama...."

Een wilde vreugde bliksemde over Frederiks gelaat Etha verschrikkend.

„Papa!" riep zij half gesmoord. Zou 't nu toch Zij

durfde niet verder denken.

„Ik schrijf zelf wel, kind." Zijn trekken hernamen met eenigen dwang hun gewone plooi.

„Ja maar ik wou nu zoo graag Toe, laat mij nu

Ik heb tante nog nóóit geschreven."

„Nu, weet je wat, jij dan maar. Maar lief schrijven, hoor, en laat mij 't dan lezen, eer je 't op de post laat doen."

„Ja papaatje." Hij kuste haar nogmaals; gerustgesteld verbet Etha hem, blij met even een taakje in dit sombere

Sluiten