Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

merde jeugd voor den geest 't Is al óver. Ik had je juist

een bedankbriefje geschreven voor je heerlijke spel van gisteravond, we hebben zóó genóten, en je meteen daarin gevraagd eens te komen als je nog wat tijd over had."

„Hier is 't, je briefje 't werd me gebracht, ik nam

dadelijk een rijtuig, blij, dat je eindelijk eens een teeken van genade gaf."

„Heeft Jenny 't dan niet in de bus gedaan?"

„Wel neen, er zat geen postzegel op. Wie is Jenny?"

Nu begreep Mathilde, Jenny, in haar onstuimigheid, had de post nog te langzaam geacht, de tram genomen en het episteltje zelf afgegeven. „Zoo'n kind toch," En zij antwoordde Nolette:

„Jenny is mijn dochter. Ik vind 't allerliefst van je, dat je dadelijk bent gekomen, 't Bewijst dat je een ouwe vrouw als ik, nog niet vergeten hebt "

„Ouwe vrouw, j ij ?" Hij kneep de wenkbrauwen ongelooyig samen, liet streélend den blik over haar gezicht en sierlijke gestalte gaan. „Vijf en dertig, meer lijk je niet, en dan een móóie, knappe vrouw van vijf en dertig. Ik zei 't mezelf gisteravond dadelijk. En je weet, ik heb er verstand van."

„Kom vleier, houd je stil." Het raamlicht bescheen hem ten volle. Zij zag de fijne lijntjes, die zich kerfden in het blank van zijn voorhoofd, de bosjes zilver door het eens nootbruine haar.

„Grijs geworden, wat?" Hij volgde haar oogen. „En jij bent nog heelemaal zwart. Onverwóéstelijk mooi. Ja, dat hadden we tóén niet gedacht, hè, dat we nog eens zoo vredig tegenover elkaar zouden zitten. Heugt 't jou ook nog goed ? Wat waren we gekke kinderen toch allebei, we gooiden ons geluk weg, of 't geluk op straat voor ons lag opgestapeld. Ik had schuld en jij had ook schuld, hoor. Allebei even idioot. Er zijn van die lui, die a tout prix hun eigen leven moeten bederven. Doet 't niemand anders voor ze, dan móéten ze 't zelf doen, anders déügt 't niet. Wij zijn van dat kaliber, Matty, meisje."

„Ja," zij knikte ernstig. „Och maar jij, een man, ik heb jouw leven toch niet bedorven?"

Sluiten