Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„O neen, neen, 't was afschuwelijk," stamelde Jenny.

„Nonsens, nonsens, de stem is er. Weg met je angst."

„Courage, kind," zei Mathilde: „Kom, neem iets vroolijks, van Löwe. Dat hoorde papa zoo graag van je. „O süsse Mutter "

„O ja," zei Jenny gretig, en de herinnering aan haar lieven doode schonk haar plots moed. Dat was een gelukkige gedachte van mama.

En Zij ving aan, liefelijk vleiend als een vogel, die kweelt in het kooitje, zijn voorjaarsverzuchting:

„O süBe Mutter, ich kann nicht spinnen,

Ich kann nicht sitzen im Stüblein innen, im engen Haus.

Es stockt das Radchen, es reiszt das Fadchen,

O süsze Mutter, ich muss hinausl

En toen pruilde zij schalks:

Der Frühling gucket heil durch die Scheiben,

Wer kann nun sitzen, wer kann nun bleiben, und fleissig sein.

O, lass mich gehen, und lass mich sehen,

Ob ich kann fliegen, wie Vögelein."

En toen was hij, de groote violist, waarlijk getroffen. „Dat was een stém, god bewaar me, dat waren me klanken, tonen, een zuivere kracht, een aanzwelling als van een orgel, en daarbij een glanzende warmte en weekheid, het fluweel dat de gehoorzenuwen streelt en doet ontroeren in heilig genot. O gód, het was Mathilde's stem, maar zooals hij die stem gewenscht had, zooals ze had móéten zijn. Dit kind had alles wat Mathilde eenmaal miste, welk gemis hij als een groote fout in haar gelaakt had vroeger.

En niet eens het kind van Mathilde en hém was deze Jenny, zooals het tenminste zou behóórd hebben, maar van

Mathilde en een vréémde van Mathilde en Paul Pole-

nius, een individu dat zich gedrongen had tusschen hem, Nolette, en Mathilde; een man héélemaal ónnoodzakelijk in Mathilde's leven, en die maar eventjes de voornaamste rol daarin had gespeeld, aangewezen door 't blinde, plompe fatum. En nu leek het als de kroon op hun beider noodlot, het noodlot van Mathilde en hem, een opperste straf, een

Sluiten